Beginpagina van Plantaardigheden.nl
 

Leesmaar.nl
Dodoens en andere bijzondere boeken

Sitemap
Index

Plantaardigheden.nl
Artikelen over planten

Leeswerk.nl
Plantenboeken opengelegd

1696 Naauwkeurige beschrijving der aardgewassen
  Beginpagina
  Alle illustraties
  Bladwijzer
  Voorwerk
 

Eerste boek Plant 1 - 67 Van allerley boomen

 

Tweede boek Plant 1 - 64 Van alle lage boomen, en heesteren of struvellen

  Derde boek Van de lage planten, kruyden, bollen en bloemen
    Eerste stuk
    Plant 1 - 100
    Plant 101 - 200
    Plant 201 - 263
    Tweede stuk
    Plant 264 - 300
    Plant 301 - 400
    Plant 401 - 468
  Registers
 
Woordenboek Nederlandsche Taal
Plantago PlantIndex
Bijgewerkt 18-02-2015

Zie volgende pagina »

Naauwkeurige beschrijving der aardgewassen (1696)

Abraham Munting

Waarom is dit boek bijzonder?

  • Munting beschrijft in eigen samenvattingen de toen bekende planten
  • Hij geeft veel informatie over het opkweken en verzorgen van de planten waar hij de hand op kon leggen
  • Hij geeft toepassingen van planten met, heel opmerkelijk, een verwijzing naar hoofdstuk en pagina van de antieke schrijvers

De genoemde hedendaagse namen en links

Door Leiden uitgegeven ter herinnering aan deze hoogleraar

Abraham Munting: Naauwkeurige beschryving der aardgewassen (1696)

   Abraham Munting (1626-1683) was zowel geschoold in de kruidenkunde als in de scheikunde. Hij volgde in Groningen zijn vader op als professor in de botanie. In 1672 schreef hij de Waare Oeffening der planten. In 1682 verscheen hiervan een veel uitgebreidere versie onder de titel Naauwkeurige beschrijving der aardgewassen.. ., die in 1696, na de dood van de auteur, nog eens werd herdrukt. Het boek bevat ruim 250 gedetailleerde kopergravures en biedt een mooi overzicht van de kennis van de geleerden uit de Oudheid en uit de Renaissance.

   Hij liet de voorloper na van de Hortus Haren. Zie het overzicht de tuin, foto's en filmpje.

De Vriendenvereniging Hortus Haren "Henricus Munting" danken wij voor hun medewerking.

De Henricus Muntinglaan

Tjalling Waterbolk

De inrichting van een nieuwe botanische tuin aan de Kerklaan in Haren, aansluitend bij de al bestaande Hortus De Wolf, in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw, viel ongeveer samen met de aanleg van een woonwijk tussen de Kerklaan, de Kromme Elleboog, de Oosterweg en het complex hockeyvelden van GHHC. Voor de nieuw aangelegde straten in dit voormalige weidegebied werden namen gekozen van bekende plantkundigen, te weten Hugo de Vries, Clusius, Prof.dr. J.C. Schoute en Henricus Munting. Hoe de gemeente tot de keuze van deze namen is gekomen weet ik niet, maar ik meen mij te herinneren dat daarbij het advies van dr. Ch. H. Andreas een rol heeft gespeeld. Zij was een voortreffelijke docente in de plantkunde – ik heb zelf les van haar gehad - en ze interesseerde zich zeer voor de geschiedenis van de universitaire botanische tuinen in Nederland. In 1976 publiceerde ze een boek over de geschiedenis van de Groningse Hortus, van de stichting in 1626 tot de door velen zo betreurde ontmanteling van de oude Hortus, die bijna drie en een halve eeuw gelegen had aan de Grote Rozenstraat in de stad Groningen. Haar boek heeft als titel ‘In en om een botanische tuin, Hortus Groninganus 1626 – 1966’, en is in Groningen uitgegeven door de Erven B. van der Kamp in 1976.
    De redactie heeft mij als bewoner – sinds 1963 - van de Henricus Muntinglaan gevraagd om iets te vertellen over de man naar wie onze straat is genoemd. Ik kan daarbij putten uit genoemd boek, want Henricus Munting was niet minder dan de stichter van de Groningse Hortus. Wat er bekend is over zijn leven en werken wordt door Hans Andreas uitvoerig besproken.
   Henricus Munting (zijn voor- en achternaam werden al tijdens zijn leven op allerlei verschillende wijzen gespeld) werd geboren in 1583 als zoon van een Groningse zilversmid. Hij werd al op 16-jarige leeftijd door zijn ouders naar Middelburg gezonden om daar bij de destijds bekende apotheker en kruidkundige Willem Jasperduyn opgeleid te worden tot apotheker. Jasperduyn stond in contact met onder meer de beroemde Carolus Clusius, de stichter van de Leidse Hortus. Munting verbleef enkele jaren in Middelburg om vervolgens in 1604 naar Engeland te gaan. Daar ontmoette hij de eveneens vermaarde botanicus Lobelius, een Vlaming van oorsprong. Vandaar trok hij naar Frankrijk, Italië, Duitsland en Tsjechië. Overal trad hij in contact met vooraanstaande geleerden op het gebied van de botanie en de kruidkunde. In Praag was hij drie jaar verbonden aan het hof van graaf Wilhelm von Fürstenberg, die persoonlijk zeer geïnteresseerd was in botanische en chemische zaken. Na een verblijf van in totaal twaalf jaar in het buitenland kwam hij in 1611 naar Groningen terug, waar hij zich vestigde als apotheker. Het jaar daarop trouwde hij met Hester Reneman. Ze kregen veertien kinderen van wie er evenwel maar vier hun ouders zouden overleven.
    Het is een interessante tijd in Groningen; er gebeurt veel. In 1614 wordt de universiteit gesticht. In de jaren 1607-1624 vindt de ‘grote uitleg’ plaats. Daarbij wordt een groot gebied ten noorden en oosten van de oude kern bij de stad getrokken en door wallen en grachten omgeven. In dat gebied koopt Munting in 1626 aan de ‘Roosenstraet’ (thans Grote Rozenstraat) een huis met tuin en daarna vergroot hij zijn terrein in de richting van de ‘Kruisstraet’ (thans Grote Kruisstraat) door de huur van aangrenzende percelen en richt het in tot botanische tuin. Later gaat hij er ook wonen. De omvang en indeling van zijn tuin in zes vierkante vakken en daarachter een groot rechthoekig vak zijn te zien op de beroemde stadskaart van Haubois van omstreeks 1643.
Zijn energie en leergierigheid blijken als hij zich in 1633 aan de universiteit laat inschrijven als student in de geneeskunde. In 1637 verwerft hij de doctorstitel. In financieel opzicht heeft hij af en toe echter problemen. Kennelijk besteedt hij teveel geld aan zijn tuin. Hij kweekt vele soorten tulpen en in 1636 is hij een van de slachtoffers van de beruchte windhandel in tulpenbollen. In 1642 verklaart hij zich in een brief aan de Staten bereid om ten dienste van de Academie en de ingezetenen van de provincie een tuin te onderhouden ‘bij aldien hij daertoe en iaerlix subsidie mochte bekomen’. Bij dit aanbod zullen financiële motieven wel een rol gespeeld hebben. Hij krijgt inderdaad een aanstelling als ‘botanicus provincialis’ bij de Academie ‘voor het hebben ende onderhouden van een Hoff van allerhand vremde plantagien ende cruiden’. Voor het salaris dat hij kreeg moest hij niet alleen de tuin onderhouden, maar ook onderwijs geven aan studenten en belangstellenden, ’s zomers in de tuin in de plant- en kruidkunde, ’s winters binnenshuis onder meer in het maken van chemische, plantaardige en dierlijke preparaten ten behoeve van de geneeskunde. De grondstoffen moest hij op eigen kosten verzamelen. Zijn instructie is bewaard gebleven. Colleges moest hij geven op maandag, woensdag en vrijdag van vier tot zes uur ‘s namiddags. In 1656 besteden de Staten een groot bedrag voor de bouw van een stookkas (‘reconditorium ter bewaring van alle rare planten’).
    In 1646 publiceert Munting een catalogus van de planten in zijn tuin en van zijn collectie van delfstoffen en andere materialen ten dienste van de farmacie. Bij de planten zijn natuurlijk een groot aantal soorten uit overzeese gebieden, zoals aardappel, tabak en bamboe, maar toch ook ruim vierhonderd die hij verzameld kan hebben in Groningen en Drenthe, zoals Beenbreek, Goudveil, Heelkruid en Parnassia, alsmede zoutplanten als Schorrenkruid, Zeekraal en Zulte. Zijn belangstelling voor de inheemse flora van de regio doet modern aan. Door problemen met de naamgeving – we zijn nog vóór de tijd van Linnaeus - is de identificatie van de afzonderlijke soorten en geslachten overigens niet altijd even gemakkelijk. Deze catalogus is de enige publicatie die van Munting bekend is. Ook van zijn reizen zijn helaas geen aantekeningen of brieven bewaard gebleven.
     De aanstelling bij de Academie in 1642 betekende niet, dat Munting nu meteen de functie van hoogleraar had. Onderwijs in de physica en ook in de botanie gaf destijds Petrus  Mulerius. Een officiële aanstelling tot gewoon hoogleraar in de botanie kreeg Munting pas in 1654, toen hij al bijna 71 jaar oud was. Maar toen werd hem meteen ook een assistent toegewezen, zijn zoon Abraham Munting, die hem na zijn dood in 1658 zou opvolgen. Op zijn beurt werd die na zijn vroege dood in 1683 opgevolgd door zijn zoon Albertus Munting. Geldzorgen maakten dat de tuin, tot dan particulier bezit, in 1691 moest worden verkocht. Koper werd de provincie. Daarmee kwam een einde aan de periode van bijna een halve eeuw waarin drie generaties Munting de tuin hadden verzorgd.      
    Nu de Hortus aan de Rozenstraat in Groningen naar Haren is verplaatst, is het goed dat daar een straatnaam herinnert aan de ondernemende Groningse stichter van de tuin.  

Enkele kleinere sorteer- of typfouten voorbehouden.

^Naar het begin van deze pagina